Het is een bewering die met regelmaat in verschillende topics over paardensport en paardenwelzijn opduikt. Alleen is er nergens een bron of onderbouwing van deze stelling terug te vinden. Er is namelijk maar heel beperkt onderzoek gedaan naar de levensduur van sportpaarden en er zijn nauwelijks harde data voor handen over sterftecijfers en oorzaken. Waar komt die bewering dan vandaan?


In 2009 er een inventariserend onderzoek naar de carrière van sportpaarden gedaan door Marianne Sloet. Verkoop van het paard bleek hoofdreden voor beëindiging van de sportcarrière van de combinatie paard/ruiter. Vanwege privacy kon het paard na de verkoop niet verder gevolgd worden.  Maar voor de hand ligt dat het paard met een andere ruiter zijn sportcarrière voorzet. Een afgeschreven paard verkoopt tenslotte niet zo makkelijk. De gemiddelde leeftijd van de sportpaarden uit het onderzoek was 7 jaar. Maar de leeftijd van de paarden varieerde tussen de 4 en de 20. Van alle paarden uit het onderzoek werd van 15% de sportcarrière definitief beëindigd door een veterinaire oorzaak. Maar ook daaruit is niet af te leiden of overbelasting, op jonge leeftijd wedstrijden rijden of een bepaalde trainingsmethode de oorzaak was. 

 

Het kan zijn dat mensen zich bij deze stelling hebben gebaseerd op cijfers van hippische verzekeraars. Deze gegevens zijn alleen nergens terug te vinden. Uit het onderzoek van Sloet bleek dat slechts 42% van de sportpaarden verzekerd was. In de regel worden paarden pas verzekerd op 3 of 4-jarige leeftijd. Daarnaast beëindigen de meeste verzekeraars de verzekering van het paard als het dier 20 jaar wordt. Voor de verzekeraar is het paard namelijk met 20 jaar economisch ‘afgeschreven’.


Er zijn verschillende redenen te noemen waardoor paarden uit de verzekering worden gehaald. Veel paarden worden tussen hun 4e en hun 12e wel een of meerdere keren verkocht. In die periode hebben ze vaak de hoogste marktwaarde. Hierbij wordt de verzekering niet altijd overgenomen door de nieuwe eigenaar. Verder wordt een ziek paard niet in de verzekering opgenomen en een eigenaar die een ziek verzekerd paard heeft, gaat zijn verzekering echt niet beëindigen totdat het beter is en alle ziektekosten zijn vergoed. De gemiddelde leeftijd waarop een paard uit de verzekering wordt gehaald zegt dus niets over het ‘afgeschreven’ zijn voor de (top)sport. 


Wat is de eigenlijk de norm?

Wat kunnen we redelijkerwijs verwachten van de levensduur van een paard? Wat geldt daarbij als referentiekader?  Ook van wilde en verwilderde paarden zijn nauwelijks harde data beschikbaar. Er is wel een documentaire van Roberto Detesco ‘The wild horses of Sable Island’. Hij volgde een groep paarden die zonder invloed van de mens leeft in het wild. De gemiddelde sterfteleeftijd van deze populatie paarden lag op ongeveer 10 jaar. De gemiddelde leeftijd van de paarden was 5.8 jaar (hengsten) en 4,6 jaar (merries). 10 jaar is niet heel oud. Zeker niet, omdat vanuit de sportfysiologie bekend is dat paarden tussen hun 8e en hun 16e op hun top zijn, en dat hun kracht en atletisch vermogen pas na hun 21ste begint af te nemen.  


De levensverwachting van gedomesticeerde paarden ligt tussen de 25 en de 30 jaar, mede dankzij alle huidige inzichten op het gebied van voeding en veterinaire zorg. Maar, uit Amerikaans onderzoek blijkt dat ongeveer 50% van de paarden niet het einde van die levensverwachting halen, en door gezondheidsproblemen zoals koliek eerder geëuthanaseerd worden. Hierbij is niet duidelijk of er een onderscheid is tussen verschillende doeleinden waarvoor paarden worden ingezet. 


Natuurlijk zijn er aanwijsbare risico's voor het welzijn van (top)sportpaarden. Het argument dat een sportpaard niet presteert als hij zich niet goed voelt, is ook niet houdbaar. Maar de stelling dat paardenwelzijn bij (top)sportpaarden structureel vaker in het geding komt dan bij recreatiepaarden kan vooralsnog niet worden onderbouwd. Ook niet dat hun levensverwachting lager ligt. Niet van sportpaarden en ook niet van recreatiepaarden.  


Meer onderzoek nodig voor een eerlijk oordeel 

In paardenwelzijnsdiscussies ligt nu de focus vooral op sportpaarden. Maar het welzijn van álle soorten paarden moet ertoe doen om tot een eerlijk oordeel te komen. Van het welzijn van sportpaarden weten we iets, maar van niet-sportpaarden vrijwel niets. We weten bijvoorbeeld niet hoeveel % van de recreatiepaarden uitvallen door een veterinaire oorzaak. En ook niet of er nog onderscheid is tussen verschillende (sport)disciplines en stromingen. Ook in de recreatieve sfeer zijn ontwikkelingen gaande zijn die het verdienen om eens kritisch tegen het licht gehouden te worden. Het welzijn daarvan objectief in kaart brengen zal geen gemakkelijke opgave worden. Paardenhouders in de recreatieve sfeer zijn nauwelijks georganiseerd. Los van de discussie over de effectiviteit van het toezichthouders en handhaving van reglementen: bij recreatieve/alternatieve activiteiten, evenementen en clinics is helemaal geen officieel orgaan dat toezicht houdt op het welzijn van paarden tijdens acitviteiten, evenementen of clinics.  

 

In tegenstelling tot sportruiters gelden voor recreatieve ruiters geen (officiële) reglementen als het gaat om optomingen, trainingsmethoden en het gebruik van doping. We kunnen pas echt uitspraken doen over het welzijn van sportpaarden, en de impact van (top)sport op het welzijn van paarden, als óók het welzijn van niet-sportpaarden goed in kaart is gebracht.  


Beide 'kampen' zouden moeten openstaan voor die bevindingen. Wanneer blijkt dat (top)sport een negatieve impact heeft op het welzijn en de levensverwachting van paarden, dan moet daar wat mee gedaan worden. Maar ook andersom. 



Reacties

Er zijn nog geen reacties geplaatst.

Laat een reactie achter

Om een reactie te plaatsen, moet je inloggen of een account aanmaken.

Jasmijn de Bruijn

Paarden brengen mij terug bij wie ik ben